Melken in Australie is denken in rendement
Door Ad van Velde,
In Nederland vinden veel boeren melken ‘a way of life’. De inkomsten lijken vaak bijzaak. In Australië was dat ook zo, maar de tijden veranderen. Het rendementsdenken raakt in. Geen rendement, geen bedrijf. Een reportage over melken in Down Under.
Er zijn nog 7900 melkveebedrijven in Australië. Rond 2000 waren dit er 13.000. De meeste melkveebedrijven zitten in de provincie Victoria, circa 5500. Daarna volgen de provincies New South Wales (850) en Queensland (640).
Victoria en New South Wales zijn de provincies met de hoogste bevolkingsdichtheid. Ze hebben miljoenensteden zoals Sydney en Melbourne. Beide provincies bevinden zich in Zuidoost-Australië.
De gemiddelde bedrijfsgrootte ligt op ruim 200 melkkoeien. Rond 2000 waren er nog bijna 2,2 miljoen melkkoeien. Die produceerden zo’n 10,5 miljard kilo melk. Nu is het aantal melkkoeien gedaald naar iets onder de 1,6 miljoen. Deze koeien produceren zo’n 9,4 miljoen kilo melk. De gemiddelde melkproductie is gestegen naar 6000 kilo melk per koe.
Veranderingen
Het is duidelijk dat er veranderingen gaande zijn in Australië. In het verleden hadden alle bedrijven jaarrond weidegang. De koeien kalfden allemaal af in een periode van een maand. Vanwege het milde klimaat waren de koeien het hele jaar buiten. De bedrijfsgebouwen bestonden uit uitsluitend een melkstal met een dak erop. Dit resulteerde in productie van melk met een extreem lage kostprijs, rond de 20 cent per kilo melk.
De droogte zorgt nu voor een hele nieuwe beweging. Nog steeds zijn de meeste bedrijven ‘pasture based’ (volledige weidegang). Maar vooral landinwaarts moeten veel kosten gemaakt worden voor irrigatie. Er is een groep boeren die vasthoudt aan jaarrond weidegang. Maar zij gaan minder koeien melken per hectare en voeren in de droge periode kuil bij, die gemaakt is voor de droge periode. De koeien worden in de wei bijgevoerd, onder de afrastering.
Een andere groep kiest voor intensivering. Zij kopen voer aan van hoge kwaliteit en voeren de koeien op een heuse voergang (wel in de open lucht). Dit is vergelijkbaar met de ‘feedlots’ in Noord-Amerika. De productie van deze bedrijven wordt fors opgevoerd tot 10.000 kilo melk per koe per jaar. Zij irrigeren niet of nauwelijks en zaaien elk jaar opnieuw gras in.
Zuivelindustrie
Van de Australische melkproductie wordt 45 procent geëxporteerd. Die 45 procent is goed voor 9 procent van de wereldmarkt. Voor de droogte was dit percentage 54 procent en daarvoor soms wel 70 procent. De belangrijkste afnemers van Australische zuivel zijn in volgorde van volume: Japan, Singapore, Maleisië, China en de Filippijnen.
Na vlees en graan is zuivel de derde ‘plattelandsindustrie’. In het verleden was de Australische zuivelsector sterk coöperatief. Veel coöperaties zijn de laatste jaren verdwenen, deels door mismanagement, deels door het ontbreken van de bereidheid van de veehouders om te participeren in hun coöperatie.
Zo’n 40 procent van de melk wordt coöperatief afgezet. De grootste zuivelcoöperatie van Australië is Murray-Goulburn. Die verwerkt nu 35 procent van de Australische melk. De merknaam die zij voert voor haar producten is Devondale. Murray-Gouldburn is met haar melkprijs sterk afhankelijk van de wereldmarktprijzen.
Er zijn nog een paar kleine coöperaties actief, zoals Challenge Dairies, Norco en Hastings Valley. Grote private verwerkers zijn Dairy Farmers (onderdeel van National Foods), Bega Cheese, Tatura Milk Industries. Vaak gaat het om gespecialiseerde kaasfabrieken. Daarnaast zijn er de laatste jaren ook grote multinationale zuivelondernemingen actief, zoals Fonterra, Kirin (Japan) en Parmalat.
Coöperatief investeren
De Australische melkveehouders beseffen heel goed dat een sterke coöperatieve zuivelverwerker van belang is voor een goede melkprijs. Er zijn ook wel vormen van moderne coöperaties, waarover gedacht wordt. Dit zogeheten Kerry-model kenmerkt zich door een heel sterk management en een combinatie van externe investeerders en investeringen van melkveehouders. De leden-melkveehouders houden dan een meerderheid van de aandelen in bezit.
Een aantal toonaangevende Australische zuivelexperts vindt dat de melkveehouders strategische investeringen moeten doen in hun coöperaties. Ze moeten zich vooral niet laten verleiden door kort lopende afzetcontracten af te sluiten met private ondernemingen. Vaak wordt dan gerefereerd aan sterke coöperatieve landen, zoals Nederland, Denemarken en Nieuw-Zeeland. Friesland Campina en Arla worden gezien als voorbeelden van gezonde, sterke zuivelcoöperaties.
Zeer opvallend zijn de verschillende melkprijzen die de veehouders ontvangen, veroorzaakt door de verwerker waarvoor zij produceren. Melkveehouders die voor de Australische thuismarkt produceren, krijgen soms wel een 10 cent hogere melkprijs dan hun collega’s die voor de wereldmarkt moeten produceren. Als veehouder maak je andere keuzes als je een melkprijs ontvangt van 38 cent in plaats van 28 cent.
Het grote verschil heeft vooral te maken met het wel of niet produceren voor de wereldmarkt. Een fabriek die vlakbij wereldstad Sidney opereert, kan zo dicht op de afzetmarkt een aanzienlijk betere melkprijs betalen dan de producenten voor de wereldmarkt.
Ondanks het pleidooi voor coöperaties, doen de private het qua melkprijs nogal eens beter. Op dit moment betaalt Murray Gouldburn (coöperatie) een melkprijs van 23 cent, terwijl bijvoorbeeld Dairy Farmers, private onderneming, onderdeel van National Foods, 29 tot 30 cent uitbetaalt.
Bega Cheese (privaat, kaas) verwacht voor 2010 een gemiddelde melkprijs van 29 tot 30 cent te betalen. Zuivelcoöperatie Challenge Dairy, actief in West-Australië, is wat voorzichtiger met haar voorspelling voor 2010: 25 cent. Dit is voor de veehouders van Challenge Dairy echt de ‘break-even’ melkprijs.
Regen
De sterk verminderde regenval heeft ervoor gezorgd dat de Australische veehouder gedwongen wordt om andere keuzes te maken. Er zijn zeer sterke regionale verschillen. Nog steeds zijn er grote regio’s waar, met voldoende regenval, tegen zeer lage kosten melk geproduceerd kan worden, met als basis gras. Er zijn ook gebieden waar zelfs twee oogsten per jaar gerealiseerd kunnen worden, bijvoorbeeld snijmaïs en triticale.
In de gebieden die te maken hebben met droogte zal enerzijds het aantal koeien per hectare afnemen, maar het aantal koeien per bedrijf blijven toenemen. Anderzijds zal intensivering plaatsvinden met bedrijven die voer aankopen en hoge producties realiseren.
In dichtbevolkte gebieden gaat ook de landprijs een rol spelen. Daar lopen de prijzen op naar 11.000 euro per hectare. Alleen weidegang wordt dan minder aantrekkelijk. Hoogwaardig voer aankopen in plaats van land kopen, met een hoge productie, kan dan voordeliger zijn. Er zijn nu al de eerste bedrijven die puur op Noord-Amerikaanse wijze, grootschalig melk produceren. Blijft dit incidenteel of wordt het een trend?
Optimistisch
Zuivelexperts zijn optimistisch (vooral qua winstgevendheid) over de toekomst van de zuivelsector in Australië. Qua volume verwachten ze geen extreme uitbreiding, maar dat hoeft de winstgevendheid van de sector niet in de weg te staan. Het optimisme is gebaseerd op het op veel plaatsen nog steeds tegen zeer lage kosten kunnen boeren, een sterke, verwerkende zuivelindustrie en een gestaag groeiende consumptie op de thuismarkt.
Naar de toekomst toe zeggen de Australische deskundigen, dat er binnen het land het best melk kan worden geproduceerd, waar het water het goedkoopst is. Misschien wordt dit wereldwijd ook wel werkelijkheid. Een vraag, die ook wel door onderzoeksinstellingen gesteld wordt, is of er niet te veel melkveehouders zijn in Australië.
Duidelijk is dat in Australië vooral wordt gedacht in rendement. Steeds meer boeren laten bij lage melkprijzen hun stallen leeg en denken als ondernemers. Het familiebedrijfdenken, zoals dat in Nederland gemeengoed is, met veel onbetaalde arbeidsuren, is in Australië op z’n retour. Zonder ‘business approach’ red je het niet. Veehouders denken in rendement. En als ze dat niet halen, gaan ze wat anders doen.
Of, zoals melkveehouder Neville Kydd het verwoordt: ,,Ik wil 15 procent rendement op een investering. Ik heb dan ruimte om de 8 tot 10 procent rente op te vangen en ik kan dan werken met een acceptabele terugverdientijd.’’
Geplaatst door: Co op mei 3, 2010 om 13:24
Laat uw reactie achter

